Schaatsblessures vooral bij 55-plussers?

GPD logo

 Door Stefan Bosson

“Op het ijs vaak blessures senioren”, kopt het Eindhovens Dagblad op maandag 6 februari, na een weekend waarin veel Nederlanders de ijzers even onderbonden. De krant baseert die conclusie op een recent onderzoek van Consument en Veiligheid. Maar is dit onderzoek wel goed bekeken?

Het persbericht Schaatsen in de natuur blijft gevaarlijk, waarin wordt verwezen naar het onderzoek Schaatsblessures, gaat op 31 januari bij Consument en Veiligheid de deur uit. De GPD pikt het bericht op, kijkt naar het rapport en een aantal dagen later staat het artikel in het Eindhovens Dagblad, het Dagblad van het Noorden, het Limburgs Dagblad, het Brabants Dagblad en BN De Stem.

Recent of niet?

Consument en Veiligheid waarschuwt in haar persbericht de schaatsers: “Dat schaatsen naast de pret ook een keerzijde kent, is duidelijk als wordt gekeken naar het aantal ongevallen. Schaatsen is een sport met een heel grote kans op een acute blessure door een val.” De organisatie onderbouwt zijn conclusies met een recent rapport van www.voorkomblessures.nl over schaatsblessures. Dit onderzoek is gebaseerd op gegevens tussen 2006 en 2010. Het rapport is dus recent, maar de gegevens dateren al van minimaal  14 maanden geleden. Hoe relevant zijn die nu nog, zeker nu we de laatste weken ook zo massaal op het ijs hebben gestaan? Dat zou de gegevens (en de conclusie) van het aangehaalde onderzoek mogelijk kunnen veranderen.

Het artikel in het Eindhovens Dagblad begint als volgt: “Schaatsen is een risicovolle sport voor senioren. De kans op een blessure die in het ziekenhuis moet worden behandeld is voor sportieve 55-plussers bij schaatsen verreweg het grootst. Dat blijkt uit een recent onderzoek van Consument en Veiligheid.” Uit dit onderzoek blijkt dat in de periode 2006-2010 zich gemiddeld per jaar 6900 schaatsers (van alle leeftijden) met een blessure hebben gemeld op een Spoedeisende Hulpafdeling (SEH) van een ziekenhuis. Hiervan zijn er in deze periode jaarlijks 480 schaatsers daadwerkelijk in het ziekenhuis opgenomen en verder behandeld.

Omdat niet elke winter natuurijs kent, wisselt het aantal blessures jaarlijks sterk, zo stellen de onderzoekers. Tijdens de strenge vorstperiode van 2008/2009 zijn naar schatting 13.000 schaatsers behandeld op een de SEH. Ook afgelopen maand stonden er veel Nederlanders op het ijs, maar hoeveel er daarvan op de SEH belandden, is niet meer meegenomen in dit rapport.

Spoedeisende hulp of ziekenhuisopname?

In ieder geval zijn er dus twee varianten van in het ziekenhuis ‘belanden’: een behandeling op de zogenoemde SEH, ofwel een opname in het ziekenhuis. Dat zijn twee verschillende situaties, met verschillende cijfers. In het artikel staat dat de kans op een blessure, die in het ziekenhuis moet worden behandeld, voor sportieve 55-plussers (aangehaald als senioren) bij schaatsen verreweg het grootst is.

Als het om de behandelingen op de SEH van het ziekenhuis gaat, dan klopt dit op basis van het onderzoek. Voor de schaatsers tussen de 55 en 59 jaar is het jaarlijks aantal SEH-behandelingen per 100.000 uur dat er geschaatst wordt, op zowel kunst- als natuurijs, het hoogst: zo’n 155. Daarna volgen schaatsers tussen de 45 en 49 jaar (105), die tussen 50-54 jaar (100) en 60-64 jaar (75).

Maar aan de andere kant is er in het rapport ook sprake van een behandeling/opname in het ziekenhuis. En als het daarom gaat, dan is de eerder genoemde bewering (voor sportieve 55-plussers is de kans op een blessure, die in het ziekenhuis moet worden behandeld, verreweg het grootst) onjuist. Het percentage ziekenhuisopnamen na een SEH-behandeling is namelijk in de groep 70 jaar en ouder het hoogst: 22% van de 480. En dus niet in de groep schaatsers tussen 55 en 59 jaar. Na de ’70-plussers’ volgen de groepen 65-69 jaar (15%), 60-64 jaar (14%) en 45-49 jaar (11%). Met een percentage van circa 9 procent scoren de schaatsers tussen de 55 en 59 jaar dus vrij laag vergeleken met de eerdergenoemde groepen.

De juiste cijfers

Dat is dus een punt om over te twisten, maar na het uitpluizen van de rest van het artikel in het Eindhovens Dagblad blijkt alles goed overeen te komen met de onderzoeksresultaten. “Vrijwel alle blessures ontstaan door een val op het ijs. Op natuurijs raken verhoudingsgewijs meer senioren geblesseerd dan op de kunstijsbaan”, zo staat er verderop in het stuk. Volgens de cijfers uit het onderzoek klopt dit. Schaatsblessures ontstaan in grote meerderheid door een val (96%).

In één van de tabellen achterin het onderzoek staat ook het antwoord op de tweede bewering. Daar stelt de journaliste dat op het natuurijs verhoudingsgewijs meer senioren geblesseerd raken dan op de kunstijsbaan. Van de jaarlijks 1500 geblesseerden van 55 jaar of ouder, zijn er 880 schaatsers (58%) die door een blessure op natuurijs een bezoek aan de SEH van een ziekenhuis brengen. Op kunstijs ligt dit percentage met 490 gevallen een stuk lager: 32 procent. Van 10 procent van de geblesseerden is onduidelijk op wat voor ijs ze hun kwetsuur opliepen.

Vaak gaat het om een polsbreuk, zo staat er verder in het artikel. “Daarnaast zijn er relatief veel heup- en bovenbeenblessures.” Maar wat is vaak en wat is relatief veel? En klopt dat met de cijfers die in het onderzoek staan? Een andere tabel achterin het rapport geeft antwoord. Voor de schaatsers van 55 jaar en ouder zijn polsblessures (fracturen, oppervlakkig letsel en kneuzingen) inderdaad het meest voorkomend. In totaal 630 gevallen per jaar, goed voor 42 procent van alle kwetsuren die in deze leeftijdsgroep werden behandeld op de SEH. Letsel aan heup en bovenbeen zijn samen goed voor 140 behandelingen, waarvan in 110 gevallen een heupfractuur. Open hoofdwonden komen evenveel voor (ook 110). ‘Relatief veel’ is een wat vage formulering, maar klopt op zich wel.

Ander onderzoek

Voor twee anderen beweringen heeft de journaliste een ander onderzoek geraadpleegd dan dat wat hierboven uitvoerig is besproken. In het artikel in het Eindhovens Dagblad staat dat schaatsen verantwoordelijk is voor 18 procent van de in het ziekenhuis behandelde sportblessures onder 55-plussers. Jaarlijks belanden er 1200 schaatsers van die leeftijdscategorie bij de eerste hulp. Dat is meer dan bij tennis, de sport die daarna de meeste ritjes naar het ziekenhuis vereist (13%).

Om deze gegevens te checken is een ander onderzoek van Consument en Veiligheid nodig, namelijk ‘sportblessures bij oudere sporters’, daterend van 15 december 2011. Daarin blijkt inderdaad dat het gaat om 1200 schaatsers (18%) van 55 jaar en ouder die op de SEH belanden, gevolgd door 930 tennissers (13%) en 460 wielrenners en voetballers (beiden 7%). De bewering dat ‘dat meer is dan bij tennis’ klopt dus ook.

Conclusie

GPD-journaliste Floor Ligtvoet, de auteur van het artikel, wil niet reageren op de bovenstaande bevindingen. Daardoor blijven de vragen over haar exacte werkwijze onbeantwoord. Wel had ze duidelijker moeten zijn over het verschil tussen een behandeling op de SEH of op de afdeling (een opname). Ook had ze erbij moeten vermelden dat de cijfers van het onderzoek niet op de recente schaatsperiode sloegen, maar gegevens waren over de periode 2006 tot en met 2010. Soms is het artikel een beetje kort door de bocht, maar de cijfers kloppen verder. Het bericht is daarom feitelijk juist: de cijfers uit het artikel komen overeen met de gegevens uit het onderzoek.

Bronnen:

– Eindhovens Dagblad van maandag 6 februari 2012

Rapport Sportblessures bij oudere sporters, 15 december 2011. Consument en Veiligheid

Rapport Schaatsblessures, januari 2012, Consument en Veiligheid

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder GPD, Uncategorized

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s